Uit het ziekenhuis

Voorafgaand aan de tweede chemokuur moet Maria’s bloed onderzocht worden. In principe kan ze dit soort ziekenhuisbezoeken zelfstandig doen. Echter, haar conditie is verminderd. Het lukt haar niet meer om van de ingang van het ziekenhuis naar het laboratorium te lopen. Ik wijs haar op de vrijwilligers die haar met een ziekenhuisrolstoel naar de verschillende afdelingen kunnen rijden. Resoluut wijst ze mijn suggestie af. ‘Over mijn lijk,’ zegt ze ‘dan ben ik nog liever dood.’ ‘Wat is de reden, dat je dit niet wil’ vraag ik haar. ‘Ik ben te trots’, zegt ze.

 

Een van haar oud-collega’s komt nu naar het ziekenhuis om Maria met een ziekenhuisrolstoel te verplaatsen. Deze dame is vijfenzeventig jaar en fietst twintig kilometer heen en twintig kilometer terug voor deze actie. Laat zij zich onder druk zetten of is het mededogen?

 

Na de tweede chemokuur haal ik Maria op uit het ziekenhuis, afdeling dagbehandeling oncologie. Haar neven en nichten hebben gesmeekt haar te mogen vergezellen. Dit heeft Maria geweigerd. Het is haar ‘eer te na’. Ik bied aan om haar naar huis te rijden. Het alternatief voor haar is een taxi bestellen en dit lijkt mij een eenzaam gebeuren. Het is mededogen, dat ik voel. Nu ik mij hiervan bewust ben help ik haar met plezier. Dit doe ik in vrijheid.

 

Via de lift en een paar gangen kom ik bij twee klapdeuren. Als ik deze open hoor ik Maria’s stem in de verte galmen. Na vijftig meter ga ik een bocht om en een collega loopt mij met uitgestoken hand tegemoet: ‘jij moet Linda zijn.’ Dit bevestig ik. ‘Eén ding is zeker,’ zegt hij, ‘práten kan ze.’ Ook dit kan ik bevestigen. Voor Maria ben ik een klankbord. Af en toe stel ik een open vraag.

 

Maria heeft een kamer voor zichzelf. Dit heeft ze vooraf geregeld. Ze begroet me met een kleine glimlach. We verzamelen haar spullen en daarna neemt ze plaats in een huurrolstoel van het ziekenhuis. Ik rijd haar door de gang en bij de balie blijven we even staan om bijzonderheden met betrekking tot de verzorging en verpleging door te nemen met een verpleegkundige met wie ik al eerder kennis heb gemaakt. Deze benadrukt nog eens, dat het Maria’s eigen keuze is geweest om deze chemo te doen. De internist en oncoloog adviseren een palliatieve behandeling. Maria kiest voor een curatieve behandeling. De specialisten raden dit af in verband met de kwaliteit van haar leven. Ze wuift dit weg: ‘Kwaliteit van leven had ik toch al niet.’ Bij het afscheid zegt de verpleegkundige: ‘Sterkte, al weet ik niet waarmee.’

 

In de hal parkeren we de rolstoel in een rij identieke stoelen. Zoals bij winkelwagens moet je er een euro instoppen voor gebruik. Ik zeg haar, dat ik wil dat ze haar arm in mijn arm haakt. Ik weet dat ze dit moeilijk vind. Want hulp aanvaarden is een uitdaging voor haar. Toch geeft ze me een arm. Deze voelt aan als een veertje. De hele Maria weegt 37 kilogram. In looppas koersen we naar mijn auto die vijftig meter verderop geparkeerd staat.