Een half leeg glas

Maria is een vrouw van halverwege de zeventig waar ik reeds een paar jaar een of twee keer per week kom als zorgverlener. Ik ondersteun haar met persoonlijke verzorging en verpleging. Ook is er een tijd voor een gesprek van tien tot vijftien minuten.

Maria is nooit getrouwd en ze heeft geen kinderen. Haar familienetwerk bestaat uit neven en nichten en achterneven en -nichten. Dit is een kleine groep familie, waar ze hecht mee verbonden is. Ze wonen op een uur autoreizen afstand. Uit vertrouwelijke bron heb ik vernomen, dat ze hun tante ‘wel een beetje apart’ vinden.

 

Maria heeft verschillende auto-immuun ziekten die mogelijk zijn ontstaan door de ontsmettingsmiddelen.  Jarenlang had ze ‘onbegrepen klachten’. Sinds een jaar of vijf heeft ze wetenschappelijk bewezen auto-immuunziekten en allergieën.

Voor Maria is het glas, in plaats van half vol, altijd half leeg. Ze is altijd bang, dat allerlei zaken in haar behandelingen misgaan en in de praktijk is dit ook vaak zo. Ze heeft vele rechtszaken tegen ziekenhuizen en specialisten gewonnen. Ze boos op alles en iedereen en in de medische wereld vertrouwt ze niets of niemand. Ze heeft een kring met drie hulpverleensters, waarvan ik er één ben. Ons vertrouwt ze wel.

Maria heeft overal pijn en ze slaapt nooit. Deze klachten worden volgens haar per dag, per uur erger.

Als donderslag bij heldere hemel hoorde ze vorige week, dat haar buikklachten worden veroorzaakt  door kanker aan een orgaan in haar buik. Nader onderzoek wijst uit, dat verschillende organen zijn aangetast, inclusief het buikvlies. In de borstholte zijn op foto’s ook verschillende kleine gezwellen te zien die kunnen duiden op kanker.

Ze dreigt met een rechtszaak tegen haar voormalige huisarts die enkele maanden geleden met pensioen is gegaan. Hij komt op bezoek en hij zegt, dat hij haar klachten onderschat heeft. Hij schreef ze toe aan haar auto-immuunziekten.

De behandeling bestaat uit chemo’s, een operatie en daarna weer een chemo. Haar specialist ontraadt dit, omdat de kans klein is dat ze de eerste chemo zal overleven. En de klachten van de auto-immuunziekten zullen verergeren om daarna nooit meer te verminderen.  Omdat ze angst heeft voor de dood ‘besluit’ ze om te gaan voor de chemo. De voorwaarde van de specialist is, dat ze een niet-reanimeren verklaring tekent. Dit doet ze met tegenzin. Ze spreekt over ‘een doodsvonnis’.

Alle denkbare hulp van familie en vrienden slaat ze af. Ze wil het zelf doen.  Ik voel mededogen voor haar. In weerwil met mijn volle agenda bied ik haar aan haar op te halen uit het ziekenhuis, als ze klaar is met de chemo. Daarna kom ik er een week niet meer op terug. Het is aan haar of ze dit wil.

Bij mijn laatste bezoek aan haar, voor de chemo, geef ik haar plechtig een hand. Ik wens haar sterkte en alle goeds. Ik zal aan haar denken morgen en zeg haar dat ze de chemo beter maar gehad kan hebben. Dan heeft ze het overleefd. Maria zegt, dat het ergste dan nog komt… We lopen naar de deur. Buiten draai ik me nog één keer om. Met de deurknop in haar hand zegt ze: ‘Ik ben bang, dat ik je morgen ga bellen.’